Ventilatie en bronafzuiging zijn in timmerfabrieken allang geen randzaken meer, maar bepalende factoren voor toekomstbestendigheid, gezondheid van medewerkers en aantrekkelijkheid als werkgever. Waar het vroeger werd gezien als een noodzakelijk kwaad, is het nu een strategisch onderdeel van de bedrijfsvoering.
Volgens Jan Plette is afzuigtechniek bij sommige bedrijven nog steeds “een ondergeschoven kindje”. Vooral CNC-bovenfrezen vormen een groot probleem: “Met name CNC-bovenfrezen zijn de boosdoener. Die hebben vaak onvoldoende bronafzuiging waardoor bij bepaalde bewerkingen het fijnstof gewoon de ruimte in kan vliegen.” Hij stelt dat deze machines, net als 5-assige bovenfrezen of kozijnbewerkingsmachines, in een omkasting geplaatst moeten worden om de ruimte stofvrij te krijgen. Gesloten machines bewijzen dat het wél goed kan: zij stoten geen fijnstof af naar de werkruimte. Ook bij handmatig schuren ontstaat relatief veel fijnstof.
Plette wijst erop dat in de RI&E de blootstelling aan houtstof beoordeeld moet worden, maar dat daar in de praktijk nog extra aandacht voor nodig is. In het Explosie Veiligheids Document (EVD) wordt wel naar stofconcentraties gekeken, maar vooral vanuit explosieveiligheid en minder vanuit gezondheid.
Onderdruk en bronaanpak
Er liggen volgens hem kansen in het creëren van meer onderdruk bij de afzuigmond: “Je hebt daar wel voldoende power voor nodig. Als je dat kunt verbeteren, is de bronafzuiging vaak al beter geregeld.” Daarnaast adviseert hij om CNC-machines af te schermen van de rest van de productieruimte. Ook is hij duidelijk over een hardnekkige fout in de praktijk: “Stop met het schoonblazen van een machine of werkstuk, dat is al verboden maar gebeurt nog veel te veel. Dan breng je het stof juist de ruimte in waar de werknemers werken.”
Wettelijke normen en aanscherping
De huidige wettelijke grenswaarde voor inhaleerbaar houtstof is 2 mg/m³ (TGG-8 uur). In de sector wordt gestreefd naar minder dan 1 mg/m³, mede omdat hardhoutstof kankerverwekkend is. De verwachting is dat normen in de toekomst verder aangescherpt kunnen worden. Volgens internationale gezondheidsrichtlijnen bestaat er feitelijk geen veilige ondergrens voor fijnstof. Dat onderstreept het belang van structurele beheersing, goede filtratie en continue monitoring van stofniveaus in de werkruimte. Meten van fijnstof via sensoren en periodieke rapportages helpt bedrijven inzicht te krijgen in de werkelijke situatie. Dat is niet alleen relevant richting inspectiediensten, maar vooral voor de bescherming van medewerkers.
Afzuiglabel en werkgeverschap
Plette pleit voor meer transparantie in de markt: “Er zou eigenlijk een ‘afzuiglabel’ moeten komen voor houtbewerkingsmachines, net zoals een energielabel bij bijvoorbeeld wasmachines.” Ondernemers zouden dan beter kunnen zien welke machines daadwerkelijk beschikken over goede bronafzuiging. Tot slot wijst hij op het belang van een schone werkomgeving in tijden van personeelskrapte: “Je gaat niet snel werken bij een bedrijf waar het niet zo schoon is, toch?” Een goed geregelde afzuiging en “good housekeeping” zijn dus niet alleen een gezondheidskwestie, maar ook een strategische keuze voor aantrekkelijk werkgeverschap en toekomstbestendigheid.